Het atelier van Shariselle (52) voelt als een plek waar de tijd even langzamer loopt. Verf, doeken en kwasten liggen verspreid over de ruimte. Er staan en hangen schilderijen in verschillende fases van ontstaan. Hier brengt ze veel tijd door. Hier kan ze ademen. “Als ik schilder, wordt het rustig in mijn hoofd,” zegt ze.
“Mijn verhaal begint op Curaçao. Daar ben ik geboren en opgegroeid, als jongste van vier kinderen. Als ik terugkijk, weet ik dat ik altijd al anders was. Druk, luid, altijd in beweging. Mijn ouders noemden me een bijzonder kind, maar eigenlijk wisten ze gewoon niet wat ze met me aan moesten. Ik kon niet stilzitten, niet focussen, niet doen wat er van me werd verwacht. En dus werd ik gestraft. Ik weet nog hoe vaak ik op mijn kamer zat, boos en onbegrepen, terwijl ik zelf ook niet snapte waarom alles zo moeilijk was.”
“Tegelijkertijd was ik slim. Ik was de eerste in mijn familie die naar de havo ging. Dat maakte het verwarrend, want hoe kon ik zo slim zijn en toch steeds falen? Wat niemand toen zag, was dat ik geen disciplineprobleem had, maar een gebrek aan begeleiding. Ik had hulp nodig, geen harde hand. Hoe harder ik werd aangepakt, hoe meer ik terug ging duwen. Op school ging ik steeds vaker spijbelen en uiteindelijk werd ik teruggezet. Pas veel later begreep ik hoeveel dat met mijn eigenwaarde heeft gedaan. Het gevoel dat je te veel bent, dat je niet goed genoeg bent, nestelt zich diep.”
“Al jong wist ik: Curaçao is te klein voor mij. Ik kreeg er geen lucht. Op mijn negentiende vertrok ik naar Nederland. Dat voelde als vrijheid, maar ook als een sprong in het diepe. Ik werd tijdelijk opgevangen door familie in Heerlen, maar na anderhalve maand stond ik op mezelf. Ze hadden wel gezegd dat het fris kon worden, dus ik had een spijkerjasje meegenomen. Maar het was november… Binnen een week was mijn geld op aan winterkleding, meubels, alles wat lonkte. Niemand had me ooit geleerd hoe je met geld omgaat of hoe je voor jezelf een huishouden runt. Ik kwam uit een cultuur waarin je altijd mensen om je heen hebt. In Nederland kende ik mijn buren niet eens.”
“Ik ging werken in de zorg en ik verdiende best goed. Maar het geld dat binnen kwam verdween net zo hard. Ik kon dat niet plaatsen en die stress werd een constante achtergrondruis. Dat was mijn eerste echte ontmoeting met depressie. Niet als iets dramatisch, maar als een voortdurende spanning in mijn lijf, een gevoel dat ik altijd tekort zou komen. Ik was negentien en moest voor mezelf zorgen, zonder te weten hoe.”
“Nederland was ook een land van te veel prikkels. Mijn eerste treinreis, van Schiphol naar Heerlen, staat nog scherp op mijn netvlies. Ik zat vastgeplakt aan het raam en riep hardop: ‘Koeien! Kijk dan, zoveel koeien!’ De hele trein keek me aan alsof ik niet spoorde. Maar mijn hoofd overstroomde.”
“Alles in Nederland kwam hard binnen: mensen, geluiden, beweging. Soms kiepte ik letterlijk om; shutdowns noemen ze dat. Die kende ik al van vroeger. Maar ik wist niet beter, ik dacht dat het bij mij hoorde. Pas op mijn veertigste kreeg dat een naam: een ernstige vorm van ADHD. Overprikkeling, gevolgd door volledige uitval. Maar toen was ik al lang moeder”.
“Na de geboorte van mijn eerste zoon ging het langzaam maar zeker mis. Ik at dagenlang niet, mijn gedachten werden donkerder, de angst kroop onder mijn huid. Maar het werd weggewuifd. Hormonen. Postnataal. Dat hoort erbij. In mijn cultuur werd dat gezien als normaal, iets waar je doorheen moest. Dus ik zocht geen hulp, ook al voelde ik dat het niet klopte. Tot ik op een dag roze olifanten tegen de muur zag klimmen. Ik raakte in paniek, bang dat ik mijn baby iets zou aandoen. In mijn verwarring sloot ik hem op in de kast, veilig, dacht ik. Ik belde mijn man en zei dat er iets niet goed was. Uit angst voor ons kind belde hij de politie. Dat was het moment waarop ik niet langer om hulp heen kon.
Het eerste wat ze me vertelden, was dat ik niet gek was. Dat zou geruststellend moeten zijn, maar ik voelde vooral schaamte. Schaamte dat ik hulp nodig had. Schaamte dat mijn hoofd me in de steek liet.”
“In de Antilliaanse cultuur wordt mentale gezondheid snel onder het tapijt geschoven. En dat is niet eens kwaad bedoeld. Als je het nooit hebt geleerd, nooit hebt gezien, nooit hebt gehoord dat depressie of angst iets is waar je hulp bij mag krijgen, dan is het heel makkelijk om te denken: dit is onzin. Of: dit gaat vanzelf weg. Ik merkte dat ook in mijn eigen huis. Mijn moeder kwam vanuit Curaçao om te helpen, en zij was heel erg van: ‘dit is allemaal onzin. Depressie is iets wat je aangepraat wordt’, zo voelde dat voor haar. ‘Je moet gewoon opstaan, voor dat kind gaan zorgen, je dag vullen, bezig zijn. Dan gaat dat depressie-gedoe vanzelf weg.’ Alleen… het ging niet vanzelf over. Dat is juist het hele punt. En daarbovenop zit die angst voor het stempel. Wat zouden andere mensen uit mijn gemeenschap wel niet denken. Ik schaamde me dus ik hield het binnen en ging gewoon door.”
“Ik ging verpleegkunde studeren, drie jaar hbo. Ik stopte. Begon opnieuw. Stopte weer. Ik zat met dikke boeken voor me, las bladzijde na bladzijde, maar niets bleef hangen. Dat is funest voor je zelfvertrouwen. Dus deed ik wat ik altijd deed: ik ging harder lopen.”
“In 2009 startte ik samen met een collega een eigen bedrijf in Tegelen. Kinderopvang, ouderopvang en resocialisatie. Dat ging goed, we werden zeven keer zo groot in vijf jaar tijd. Ik werkte met vrouwen en jongeren die niemand begreep en waar anderen hun handen niet aan wilden branden. Ik deed dingen die niet in boeken stonden. Stenen met negatieve gedachten in de Maas gooien. Verfballonnen tegen muren. Mensen vonden het vreemd, maar het werkte. En ik kreeg het drukker en drukker.”
“Tot 2012. Op het werk had ik een discussie over tafellakens. Ik verliet het gebouw en reed op m’n scooter richting de stad. Dat is het laatste dat ik ervan weet. Een week later werd ik wakker op de gesloten afdeling. Ze hadden me gevonden, spookrijdend op de A73. Mijn systeem was al jaren overbelast, maar het was altijd: het gaat goed. Totdat het niet meer ging en ik dus een psychose kreeg.”
“Ik moest stoppen met mijn bedrijf en gaan herstellen. Maar ook dat deed ik niet echt. Binnen twee jaar werkte ik weer twintig uur per dag. Slimmer dit keer. Beter verstopt.
Maar drie jaar geleden kreeg ik een TIA. Toen viel ik echt. Niet alleen mentaal, maar ook fysiek. De neuroloog zei: ‘Zestig procent is je nieuwe honderd.’ Maar ik wilde niet met minder leven. Veel donkere gedachten heb ik toen gehad. Ik wilde dood. Gelukkig had ik mijn kinderen, die hielden me hier.”
“Daarna ging ik opnieuw in therapie, maar dit keer was het anders. Geen standaardbehandelingen, geen blauwdrukken. Maar samen met de therapeut ging ik anderhalf jaar lang op zoek; wat werkt wel, wat niet? Het antwoord bleek acceptatie.
Ik moest accepteren dat een deel van mij is achtergebleven op de A73. Dat niet alles meekomt. En dat rouw daar bij hoort. Nu bouw ik - langzaam dit keer – opnieuw een leven op.”
“Wat ik wel mis in de zorg, is iets wat ik zelf een soort waakvlam noem. Dat je na een behandeling gewoon weer even terug mag naar je behandelaar, zonder opnieuw door de hele molen te moeten. Gewoon iemand die zegt: kom maar even langs, hoe gaat het met je? Want vaak wordt er pas ingegrepen als iemand alweer omvalt.”
“Ik schilder veel. In mijn atelier heb ik rust gevonden. Ik ben er een holistisch centrum gestart waar niks hoeft, maar alles mag en waar ik naar vermogen actief mag zijn. Een plek waar iemand binnenkomt en mag zeggen: vandaag lukt het even niet. En dat dat genoeg is.
Misschien is dat uiteindelijk wel wat ik zelf het meest heb moeten leren.”
Wij maken gebruik van cookies.