Sommige gevoelens laten zich niet gemakkelijk uitleggen. Zeker niet als er van buitenaf weinig zichtbaar is. Jarenlang leidde Marloes het leven zoals dat van haar verwacht werd maar probeerde ze tegelijkertijd te begrijpen waarom het leven haar zoveel energie kostte. In dit verhaal kijkt ze terug op die zoektocht waarin ze uiteindelijk zichzelf vond.
Als ik terugdenk aan mijn jeugd, dan denk ik niet meteen aan grote drama’s. Mijn opvoeding was eigenlijk heel normaal. Mijn ouders wilden het beste voor ons en mijn vader werkte daar hard voor. Hij vond school belangrijk en voelde een enorme verantwoordelijkheid voor zijn gezin. Maar als kind heb ik me daarin nooit echt veilig gevoeld.
Mijn eerste herinnering is dat ik in de tuin speel met een plastic hondje. Iemand roept mijn naam en meteen voel ik spanning. Alsof ik me moet verdedigen. Alsof ik moet opletten wat ik zeg of doe. Dat gevoel heeft er eigenlijk altijd gezeten.
Thuis hing een bepaalde voorzichtigheid in de lucht. Geen ontspannen sfeer waarin je gewoon kind kon zijn. Ik was me altijd bewust van hoe iemand binnenkwam, wat de stemming was en of ik iets verkeerd had gedaan. De blik van mijn vader of de stilte konden me heel klein maken. Dus deed ik vooral wat er van mij verwacht werd. Goed luisteren, goede cijfers halen en vooral niet zeuren. Mijn moeder bepaalde ook veel voor me: welke kleren ik droeg, hoe mijn haar moest zitten. Ik volgde iedereen. Maar mezelf? Daar dacht ik helemaal niet over na. Ik wist niet eens dat je een eigen wil kon hebben.
Als puber begon ik langzaam te voelen dat er iets niet klopte. Ik las tijdschriften met verhalen van jongeren die schreven dat ze ongelukkig waren. Dan dacht ik: dat voel ik ook. Maar ik stuurde nooit zelf een brief. Ik praatte er ook nauwelijks over. En als ik het voorzichtig probeerde, kreeg ik reacties als: “Je hebt altijd van die rare dingen.”
Een docent zei ooit tegen mij: “Het lijkt alsof je meer in je hebt, maar het komt er niet uit.” Ik was vijftien en ik weet dat nog steeds. Dat gevoel is jarenlang gebleven, alsof er iets in mij zat dat niet naar buiten kon.
Ook voelde ik me vaak leeg en somber, maar ik zag dat niet als een probleem dat serieus genomen mocht worden. Ik noemde mezelf lui, zwak en een aansteller. Als ik moe thuiskwam van school en op de bank ging liggen, dacht ik niet: misschien gaat het niet goed met me. Ik dacht: stel je niet aan.
Ik was een eenzame puber. Mijn broers hadden elkaar en ik had de paarden. Daar vond ik iets van rust, omdat je bij dieren niets hoeft uit te leggen. En ik hield me vast aan de gedachte dat het vanzelf wel beter zou worden. Als ik maar een andere klas kreeg. Of een nieuwe opleiding begon. Maar overal nam ik mezelf mee naartoe en overal bleef dat gevoel achter me aanlopen.
Toen ik in het onderwijs ging werken, viel ik al snel uit; overspannen op mijn vijfentwintigste. Daar heb ik me erg voor geschaamd. Alsof ik gefaald had voordat mijn leven goed en wel begonnen was. Ik weet nog dat ik op school op de rand van een zandbak zat. De kinderen speelden buiten. De zon scheen en iedereen had het fijn. Maar ik begon zomaar te huilen, omdat ik me vanbinnen zo ontzettend leeg voelde. Een collega stuurde me toen naar huis.
Daarna kwam ik terecht in een molen van ziekmeldingen, therapieën en beoordelingen. En op mijn negenentwintigste werd ik volledig afgekeurd. Alsof de buitenwereld zei: wij weten het ook niet meer. Ik kreeg verschillende diagnoses en medicatie, er werd óver me gepraat maar niet mét me en ondertussen bleef ik vooral geloven dat ik gewoon zwak was. Dat ik niet hard genoeg mijn best deed.
Mijn manier om ermee om te gaan was slapen. Dan hoefde ik het niet te voelen. Hoefde ik niet te bestaan. Dus ik sliep soms wel 18 uur per dag, want alles wat je weg slaapt hoef je niet mee te maken.
Ik trouwde, kreeg kinderen en probeerde toch iets van mijn leven te maken. Maar ook daarin zat steeds die zwaarte. Ik hield van mijn kinderen, maar ik kon niet echt van ze genieten. Alles kostte energie.
Een psychiater vertelde me eens dat mijn depressies waarschijnlijk altijd terug zouden komen. Dat ze zelfs erger zouden worden. Dus ik leefde eigenlijk van episode naar episode, wachtend op de volgende klap. Pas toen ik vrijwilligerswerk ging doen, begon er iets te verschuiven. Ik ontmoette mensen die anders naar het leven keken. Mensen die vragen stelden. Mensen die nadachten over gevoelens, over keuzes, over wie je bent. Dat kende ik helemaal niet.
Maar juist daardoor werd de wereld ook overweldigend groot. Want wie ben je eigenlijk als je niet alleen maar doet wat er van je verwacht wordt? Mijn huwelijk begon te knellen en uiteindelijk besloot ik te gaan scheiden. Ik probeerde mezelf opnieuw uit te vinden, maar ergens onderweg brak er iets. Of misschien juist niet. Misschien werd er eindelijk iets zichtbaar wat al jaren onder de oppervlakte zat; de pijn, de vermoeidheid en het voortdurende gevecht tegen mezelf. Ik kon het niet meer wegduwen en ik besloot eruit te stappen. Ik schreef brieven en nam afscheid. Had alles voorbereid. En toen werd ik toch weer wakker. Op de PAAZ. Ik was zó boos dat ik nog leefde…
Tijdens de opname die volgde, deed ik een mindfulnesscursus. Dat klinkt misschien klein, maar daar begon iets te veranderen. Voor het eerst voelde ik rust. Voor het eerst kwam er een gedachte op dat ik misschien ook aan mezelf mocht denken.
Daarnaast ontmoette ik iemand die bezig was met ervaringsdeskundigheid. Dat woord kende ik niet eens, maar ik voelde meteen: hier zit iets in wat mij raakt. Niet het fixen van mensen, maar écht luisteren. Vragen stellen. Samen kijken. Ik verdiepte me nog verder in mijn herstelproces als ervaringsdeler en daarbij kwamen er vragen waar ik nooit eerder bij had stilgestaan.
“Wie ben jij?”
“Wat wil jij?”
“Wat voel jij eigenlijk?”
Dat was confronterend, maar ook bevrijdend. Ik begon langzaam te begrijpen dat die strenge stem in mijn hoofd niet mijn hele waarheid was. Dat ik niet klein hoefde te blijven om veilig te zijn. Uiteindelijk behaalde ik mijn bachelor in ervaringsdeskundigheid en werd mijn droom werkelijkheid: een betaalde baan als ervaringsdeskundige.
Nu ben ik 55. En eerlijk? Ik heb het gevoel dat ik nog maar net begin te ontdekken wie ik ben. Ik lees veel. Ik volg filosofiecursussen. Ik praat met mensen. En voor het eerst kost me dat niet alleen energie — het gééft me ook energie. Ik geniet nu echt. Niet altijd, niet perfect; die stem van vroeger is er nog steeds wel eens. Maar ik weet inmiddels dat het maar een deel van mij is. Niet mijn hele ik.
Wat ik het liefste wil meegeven, is: je hoeft geen vreselijke dingen meegemaakt te hebben om je diep ongelukkig of kwetsbaar te voelen. Dat heb ik heel lang gedacht. Mijn jeugd leek van buitenaf normaal. Maar hoe iets voelt vanbinnen, dat doet ertoe.
Achteraf denk ik dat niet het gevoel zelf mijn grootste probleem was, maar het vechten ertegen. Jarenlang vocht ik tegen mijn somberheid, tegen mijn moeheid, tegen mezelf. Nu hoeft dat niet meer en daar ben ik dankbaar voor.
Omdat ik eindelijk ruimte voel om gewoon Marloes te zijn.
Wij maken gebruik van cookies.