Als je kind pijn heeft, wil je dichtbij blijven en haar overeind houden. Voor Mariska werd de zorg voor haar dochter Manon allesomvattend. Hun verhaal gaat niet alleen over wat een eetstoornis met een gezin doet, maar ook over het besef dat zelfzorg en zorg voor een ander eigenlijk hetzelfde zijn.
Manon:
Officieel begint mijn verhaal toen ik dertien was en de diagnose anorexia kreeg. Maar eigenlijk begon het al veel eerder. Op de basisschool werd ik gepest en buitengesloten en voelde ik me anders dan anderen. Tegelijk wilde ik mijn ouders vooral laten zien dat het goed met me ging. Ik wilde dat ze trots op me waren. Dus als ik onzeker was of bang of verdrietig, dan hield ik dat liever voor mezelf.
Mariska:
Dat Manon gevoelig was, zagen we al vroeg. Ook dat ze gepest werd merkten we wel, maar ze sprak daar weinig over. Ze was geen kind dat snel zei wat ze nodig had. Aan de buitenkant leek het vaak juist alsof het goed ging. Ze huppelde naar school en weer terug.
Manon:
Ik was altijd bezig met hoe anderen zich voelden. Thuis voelde ik spanningen snel aan. Ik stapte een ruimte binnen en was meteen aan het aftasten: hoe is mama eraan, hoe is papa eraan, wanneer kan ik iets wel of niet zeggen? Ik wilde onrust voorkomen, omdat ik daar zelf slecht tegen kon.
Ik vergeleek mezelf ook constant met anderen. In de kleuterklas bijvoorbeeld, kleurde ik de kleurplaat van het meisje naast me na, omdat ik dacht dat zij het beter deed. En ik woog meer dan sommige andere kinderen, niet omdat ik te zwaar was maar omdat ik langer was. Toch werd het in mijn hoofd: ik weeg meer, dus ik ben te veel.
Manon:
Op een gegeven moment dacht ik: misschien vinden mensen me leuker als ik dunner ben. Ik ben op internet gaan zoeken en las dat je meer moest verbruiken dan je binnenkreeg. Dat ben ik heel letterlijk gaan volgen. Ik ging calorieën tellen, opzoeken wat ergens in zat en uitrekenen wat ik verbrandde. Ik at steeds minder en ging steeds meer bewegen. Dat gaf me houvast. Eindelijk was er iets wat ik kon, zonder dat ik anderen nodig had. Alleen merkte ik ook dat die regels steeds strenger werden.
Mariska:
Ik zag dat haar gedrag veranderde. In het begin was gezonder eten of meer bewegen niet meteen zorgelijk. Maar bij Manon werd het steeds dwingender.
Het was op een moederdag dat het voor mij echt duidelijk werd. Ze had een chocoladefondue geregeld voor een gezellig moeder-dochtermoment, maar die hele dag had ze niets gegeten. Toen voelde ik: dit klopt niet… De dag erna ben ik met haar gaan zitten en heb ik gezegd dat ik me zorgen maakte, dat ik het idee had ze niet lekker in haar vel zat. En zag dat ze met eten aan het rommelen was en dat ik voelde dat het niet goed ging.
Manon:
Toen heb ik het meteen gezegd. Dat ik aan het afvallen was, dat het heel erg in mijn hoofd zat en dat ik het niet meer kon stoppen. Dat was ook zo. Ik voelde ergens trots; dat ik hier goed in was, maar tegelijkertijd was ik de controle al kwijt. Ik kon niet meer normaal eten zonder meteen te rekenen, plannen of compenseren.
Mariska:
We wilden meteen hulp zoeken, maar dat bleek lastig. De huisarts zag wel dat het ernstig was, maar die wist ook niet wat te doen. Overal waren wachtlijsten en er was weinig gespecialiseerde hulp.
En thuis werd eten een strijd. Ik probeerde geduldig te blijven en te kijken wat lukt wel en wat niet. Haar vader reageerde uit zorg en onmacht soms wat directer: eet nou gewoon. En haar broertjes zaten daar gewoon bij, midden in die spanning.
Voor mij werd pas echt duidelijk wat het met ons gezin deed toen onze vakantie niet doorging. Die reis was al geboekt en de jongens keken er enorm naar uit. Eerst zei de arts nog dat we gewoon moesten gaan, dat we ontspanning nodig hadden. Maar Manon mocht niet verder afvallen. Ze deed echt haar best, dat zag ik. Maar vlak voor vertrek bleek dat ze toch meer dan een kilo was afgevallen. Toen ging de vakantie niet door.
We moesten de jongens vertellen dat we thuisbleven en die waren in tranen. En het was niet alleen de teleurstelling, maar ook het besef: dit is écht ernstig.
Manon:
Dat die vakantie door mij niet doorging, deed heel veel pijn. Ik voelde me ontzettend schuldig.
Manon:
Toen ik uiteindelijk in gespecialiseerde behandeling kwam, ging het vooral over eten, wegen en aankomen. Voor mij werd dat alleen maar meer brandstof voor de eetstoornis. Nog meer cijfers, nog meer controle, nog meer dingen om me aan vast te klampen. Wat ik eigenlijk nodig had, was dat iemand begreep dat dit gedrag ergens vandaan kwam. Dat iemand me zag als mens, niet alleen als iemand die moest aankomen.
Mariska:
Dat vond ik heel moeilijk. Manon had vanaf het begin al gezegd: het zit in mijn hoofd. En heel even zagen we dat aandacht voor dat psychische stuk hielp. Maar toen viel het systeem terug op wat het kende: eten, gewicht, controle.
Manon:
Ik was veertien toen ik voor het eerst werd opgenomen. En eerlijk gezegd maakte die opname het alleen maar erger. Ik kwam op een gesloten afdeling terecht waar veel onrust was. Er waren jongeren met heel andere problemen, er vlogen stoelen door de kamer, er was dreiging. Voor mij voelde dat totaal niet veilig. Terwijl ik juist veiligheid nodig had.
Na het eten moesten we naar onze kamer en dat vond ik verschrikkelijk, want dan zat ik alleen met alle spanning in mijn lijf. In plaats van dat het rust gaf, werd ik nog obsessiever.
Later - ook in een gespecialiseerde kliniek - merkte ik dat een opname de eetstoornis juist ging voeden. Op de afdeling hing onderlinge concurrentie. Wie was het ziekst? Wie at het minst? Wie kreeg het voor elkaar om de regels te omzeilen? En als je daar middenin zit, ga je daarin mee. Ik kwam er om te herstellen, maar ik leerde er nieuwe trucjes.
Mariska:
In die jaren ging niet alleen Manon onderuit. Ik zelf eigenlijk ook, want ik was vierentwintig uur per dag met haar bezig. Ik was emotioneel en uitgeput en voelde me verantwoordelijk voor alles: voor Manon, mijn gezin, m’n werk. Ik hield het nauwelijks vol en de mensen om me heen zagen dat ook. Er werd tegen me gezegd: als jij zo doorgaat, kieper jij straks ook om. En dat was waar. Ik was zo met mijn dochter bezig dat ik mezelf kwijtraakte. Ik ben met een coach aan de slag gegaan en dat veranderde veel. Langzaam ging de focus niet alleen meer naar Manon. Maar, hoe gaat het eigenlijk met mij? Wat heb ík nodig om overeind te blijven?
Ik ben weer beter gaan slapen, beter gaan eten, meer gaan wandelen en dingen gaan doen die me energie gaven. Dat voelde eerst zelfs bijna egoïstisch...
Manon:
Maar mij heeft het ook geholpen. Omdat ik altijd zo bezig was met hoe het met mijn ouders ging, gaf het rust toen ik merkte dat mijn moeder meer voor zichzelf ging zorgen. Dan hoefde ík dat minder te dragen.
Mariska:
Toen Manon later opnieuw heel diep terugviel, ben ik zelf ook ziek thuis komen te zitten.
En ik besefte, nu mag ik weer heel goed voor mezelf gaan zorgen! Niet alleen voor haar.
Manon:
Ikzelf kwam in contact met een ervaringsdeskundige en daar voelde ik me voor het eerst gezien en gehoord.
Wat ik nu langzaam leer, is dat ik meer mag zeggen hoe het echt gaat. Dat het niet perfect hoeft en dat eten zelf, niet het probleem is maar eerder een signaal dat aangeeft dat ik bijvoorbeeld iets spannend vind. In Zeeland, waar ik nu doordeweeks bij een ervaringsdeskundige verblijf, ervaar ik meer rust en minder druk. Niet omdat alles opgelost is, maar omdat ik meer ruimte voel om te mogen zijn wie ik ben, ook als het moeilijk is.
Mariska:
Ik zie meer kleur terugkomen. Het is niet meer alleen maar zwart-wit. Manon deelt eerder dat ze een moeilijke dag heeft, en dat helpt. Want dan hoeft het niet meer allemaal op te stapelen tot het te groot wordt. En ik heb moeten leren dat ik mijn kind niet kan fixen. Ik kan wel naast haar blijven staan. En tegelijk ook goed voor mezelf zorgen.
Manon:
Wat ik het hardst nodig heb, is niet dat iemand alles voor me oplost. Maar dat iemand blijft. Dat iemand luistert en me ziet, zodat ik niet alleen hoeft te dragen wat te zwaar is.
En misschien is dat wel de kern. Dat mijn herstel niet alleen gaat over eten of aankomen, maar over gezien worden.
Wij maken gebruik van cookies.